[
../pages/indexpag.html]
[
../pages/werkgroeppag.html]
[
../pages/activiteitenkalender.html]
[
../pages/nieuwspag.html]
[
../pages/fotopag.html]
[
../pages/videopag.html]
[
mailto:info@dassenwerkgroepbrabant.nl]
[
../pages/donatiespag.html]
[
../pages/inhoudpag.html]
[
../pages/inhoudpag.html]
Copyright (C) Stichting Dassenwerkgroep Brabant www.dassenwerkgroepbrabant.nl
KvK: 17190229 Rabobank Boxmeer: 1218.82.934 info@dassenwerkgroepbrabant.nl
Alle rechten voorbehouden. Aan de inhoud van deze website kunnen op geen enkele wijze rechten worden ontleend. inhoud site
Anouk Reefman
Volgens mij wonen er bij ons dassen die regelmatig dronken zijn!
Je kijkt er vreemd van op, ja. Maar als ik een dassenwissel volg, lijk ìk in ieder geval dronken. Eerst zie je duidelijk een vrij recht paadje naar ver weg, maar het traject kun je alleen waggelend van links naar rechts echt belopen.
Dronken dus, in mijn optiek, een dronken das en van wat dan wel?
Een dronken wissel.
Het lijkt me wat ver gaan om een das te verdenken van het illegaal stoken van een voorraadje alcohol. Halverwege het pad kijk ik nog eens achter me en zie overrijp valfruit liggen. Maar of die vruchten nou de tijd en omstandigheden hebben om in een dassenbuik te gisten naar een waggelende geestvervoering?
Een vette valpeer.
Het moet wat anders wezen bedenk ik, links en rechts meekijkend op de dassenpassage. Waar vreet een das zich nou zo lens aan, dat ie gaat zwabberen?
Zou het misschien door kantenklare jeneverbessen komen?
Das op zoek.
[
./anouk002pag.html]
Oh, shit, weet ik hoe die er uitzien, dan?
Ik vervolg de wissel en probeer een beeld op te roepen van jeneverbessen.
Da's geen makkie, merk ik, want zowel Jenever als Bessen ken ik alleen als eindproduct. Hoe ziet een echte jeneverbes er eigenlijk uit: vers en gevuld, en hoe ziet die plant of struik eruit?
Zucht.
Deze Juffert kent ze alleen als harde gedroogde rimpelbessen uit de kruidenkast. Je weet wel, voor bovenop de wildpastei of ter ere van een 'home-made' paté. Maar dan enkel voor de sier naast het traditionele blaadje laurier. De smaak is me totaal ontgaan geloof ik.
Gedroogde jeneverbessen.
Ik mopper wat voor me uit over mijn beperkte ervaring.
Want hoe en waaraan herken je de natuur nou om je heen?
Niet te lang kniezen dame, want het is de das die je weer op een nieuw spoor gebracht heeft. Zijn honger heeft bij mij kennelijk ook honger opgeroepen.
Naar beelden, ideeën en nieuwe vragen.
Ik kijk vertederd naar beneden naar mijn natte schoenen en broekspijpen vol met graszaadjes en blik tevreden over het golvende paadje vlak voor me uit.
Ik zie mijn dasje daar al dwalen, na een stevige portie jeneverbessen. Met een snoet vol blauw sap en velletjes. Hikkend en struikelend over z'n jas en eigen pootjes.
Ik glimlach naar de horizon.
Den einder.
Kijk, en stel nou dat zo'n dassenwissel van burcht naar burcht zou lopen?
Dan zal er regelmatig wel wat zwaaien, lijkt me.
Och arme, komt ie weer eens toeter thuis, krijgt ie vast een hengst met 't een of ander.
Wordt 't weer een nachtje, och nee: dagje, spijtbetuigen in 't bezemhok!
Die arme dassendrommel. Ik moet er hoofdschuddend om lachen, doe even solidair zijn bedremmelde centenbakkie na met mijn eigen toet en zet er stevig de pas in.
En jawel, na lang zoeken kom ik toch een heuse stekelstruik tegen, mèt dikke vette gevulde blauwe bessen. Tevreden leg ik mijn vondst vast op de foto. Kan ik thuis meteen uitzoeken of het hier om de befaamde jeneverbesstruik gaat.
Een "jeneverbesstruik?"
Enthousiast vervolg ik het paadje verder en probeer nog meer kenmerken van 'de' dassenwissel te zoeken. Waaraan herken ik nou precies een dassenpad in het landschap?
Ik zie het zo. 'De' dassenwissel van onze dassen komt samengevat op de volgende karakteristieken neer.
In ieder geval zijn er hoge geknakte gedroogde gele grassen die dasalniettemin hoog boven alles uitsteken.
Dan natuurlijk de vele verse groene grasjes, waarvan een zeker gedeelte opvalt door de veel kortere lengte dan de rest èn een gezellige dassenbreedte die zich aftekent tussen de ingesleten graslijnen.
Op wissels met een meer belopen geschiedenis, vaak een prachtige vloerbedekking, gevormd door ingewaaide blaadjes die zich verzamelen op de diepere wisselbodem.
Vooral heuveltje op en heuveltje af, tekent zich onderop een tapijtje af van platgelopen bladeren. De dassenbuik heeft hier zichtbaar belangrijk gewicht door de platte voering van de wissel.
Als ik zo'n wildgang nou vergelijk met die van een ree, dan snap ik het verschil met het luciferspoor van een ree ineens veel beter.
Het reeënlijf zit immers veel hoger boven de hoeven en laat daardoor een rank en iele aftekening na in het gewas. Een das trekt meer het lage buikige spoor van een koddige dikzak.
Luciferspoor
Ook onverklaarbaar afgebogen of afgebroken bramentakken ter hoogte van mijn scheenbeen wijzen op een wissel. De takken, die qua dikte en lengte duidelijk ooit een andere groeirichting voor ogen hadden, zijn niet bestendig tegen een dikke zware dassenjas. De vette doornen, waar een hond van huilen zou, vormen geen bezwaar voor passerend dassengehannes. Dat zegt mij iets over de kwaliteit en beschermende werking van een dassenmantel.
Ik zoek op zo'n plek regelmatig verlekkerd naar dikke plukken verloren dassenharen tussen de doornen. Ik heb er helaas niet vaak, en dan hoogstens één of twee lange aangestipte haren in kunnen vinden.
Ik zal eens beter uitzoeken òf en wanneer de das precies gaat ruien.
Een heus braamstruiksbinnenpad verraadt vaak een dassenburcht in de buurt.
En omdat de das ook wel eens gewòòn dorst heeft, zie je in de buurt van water weer andere sporen. Bijvoorbeeld dat slootkanten halverwege of er boven kaal zijn gelopen.
Kaalgelopen
Vlak bij een bron heeft het herhaald slokje water halen rondingen in de begroeiing veroorzaakt. De dorst lessen dient misschien, zoals bij wel meer wilde dieren, vooral rustig en daardoor verborgen te gebeuren?
De weg naar water.
Een ander, meer magisch kenmerk van de dassenwissel zal ik u ook vooral niet onthouden.
Dat dronken gezwabber van de das, blijkt namelijk wel ìets, maar lang niet alles met jeneverbessen te maken te hebben.
De das eet vooral en overal doodgewone wormen. Voor dassenkenners is dit wellicht een oud liedje. Ervaren dassofielen breken immers niet langer hun nek over achterblijvende pierenputjes, maar ook niet hun hoofd!
De worm heeft voor een das schijnbaar een magisch gehalte die hem van richting doet veranderen. De pierenputjes getuigen daarvan. Ons mensen ontgaat de precieze reden van het waggelgedrag eenvoudigweg, òmdat wij geen wormen eten.
Pierenputjes
Want let op. Hebben wij zelf ooit wel eens een vette hap wormen geproefd?
En HOE smaakte het? Gaan we er ook een blokje voor om?
Passen wij onze tafelmanieren ervoor aan?
Lekker als een lange spaghettisliert zonder bestek opslurpen?
Ha! ècht nie!
Dè lumbricus terrestris: lekker !
Voor ons blijft een worm een doodgewone worm, maar de das denkt daar kennelijk anders over. Hij verlaat de wissel met zijn snufferd aan de grond voor weer een ander wormenhapje.
Hij ruikt ze zelfs van verre onder de grond. Wormen moeten dus wel sterk ruiken en smaken, wil hij bijvoorbeeld links wèl en rechts níet naast de wissel zijn stofzuigertje gebruiken.
Een groengeurende wissel.
Niks dronken van de jeneverbessen, maar 'gewoon' zijn neus achterna.
Pierenputjes vormen ruimtelijk gezien de neerslag van zijn eeuwig wormenminnende vraatzucht. De das zwabbert door reukverschillen zijn favoriete worm achterna.
Tekening: Coby Cornelisse-Postma.
Het lijkt me een goeie één plus één is twee. Toch is deze gedachte in tegenspraak met het 'wilde' karakter van de das. Omdat wildwet één luidt: Ben zuinig met je energiegebruik, minimale inzet voor een maximaal resultaat. Dan ga je toch niet zonder reden in lengte der nachten lopen om wormen op te zoeken?
Da's niet zomaar rendabel te noemen, wel? Als ook nog ongeveer 80% van het dassendieet uit die pieren bestaat, kan hij toch beter een klein efficiënt rondje zwabberen op een vruchtbare, wormvolle plek?
Dit bedoel ik, er is iets meer aan de hand.
Wormvolle plek.
De das mòet een soort van wormenwijzer en wijsheid hebben. Met zo'n heel aparte wormentrek. Ik kan niets anders verzinnen dan dat wormen dus verschillend smaken en van boven de grond moet dat reukverschil te ruiken zijn.
Je kunt nog zoveel ondergrondse graafervaring hebben, bovengronds heb je niet zomaar een ordinaire, monotone wormenkaart in het koppie.
Doris das bovengronds.
Zo kom ik op de reuk en de smaak van wormen. Omdat uit de boeken ook blijkt dat de jeneverbesstruik allang praktisch uitgestorven is, gaat mijn eerste insteek over benevelde waggel dassen niet op in het Nederlandse cultuurlandschap.
Jeneverbes (echte!)
Een spreidingskaart van verschillende smaakvolle wormvormen lijkt me eerder op zijn plaats. De das is bereid er wisselende en ook enorme afstanden voor af te gaan leggen.
Een kaart int koppie is zoogdieren in den wilde niet vreemd.
Zeker, een 'moerasworm' -van verder weg, want exclusief op het terrein- ruikt en proeft gewoon anders dan een zoete 'hoogstam-valperenworm' aan huis?
Valpeer met wormengat.
Een rozenbottelworm moet wel bloemiger smaken dan een doorsnee houtworm?
Een kruidentuinworm proeft met een beetje geluk naar zijn waardplant: mierikswortel of mint, ook lekker. De hazelworm en hazelnootworm en de hazelnoot delen gezellig een trefzeker triple abonnementje? Een grote kans dat onze das op de wissel toch even voor de hazelkeuze zijn traject geheel afbuigt of daar laat eindigen.
Vork
Alleen over uistapjes langs de jeneverbes en jeneverbesworm zullen opa en oma das nog kunnen verhalen. De das van nu heeft zijn wormenwijzer waarschijnlijk allang aangepast met wat er nog wel groeit en dus ook ondergronds krioelt.
Het komt er op neer, lieve lezer, dat de dolende das van alle markten thuis is.
Hij staat er qua beeld misschien vaak kippig op, want hij ziet niet goed als nachtdier, dasalniettemin heeft ie blijkbaar een hele keuken in zijn neus, een waar boeket aan geur en smaak, vol afwisseling en gemak!
De das zwalkt op de wissel met zijn wormenwijzer een keur aan wormculturen bij elkaar.
(wordt vervolgd)
Foto: Badgertrust
[
#ANCHOR_Img4]
Terug naar boven