dassen hol burcht burgt burght dassenburcht dassenburchten dassenhol dassenburgt dassenburght dassenburgten dassenburghten
Copyright (C) Stichting Dassenwerkgroep Brabant www.dassenwerkgroepbrabant.nl
Alle rechten voorbehouden. Aan de inhoud van deze website kunnen op geen enkele wijze rechten worden ontleend. inhoud site
De Das
De Dassenburcht
Bouw
De das leeft onder de grond in een uitgebreid gangenstelsel met verschillende kamers dat ook wel burcht, eerd, bouw of wrang word genoemd.
De gangen hebben een doorsnede van ongeveer 30 cm. Deze lopen naar, en verbinden, de vele kamers van zo'n 50 cm doorsnede. Er zijn ook gangen die doodlopen. De kamers die in gebruik zijn worden gestoffeerd met nestmateriaal waar de dassen overdag in slapen. Dit nestmateriaal kan bestaan uit gras, stro, bladeren, varens en mos. Dit wordt door de dassen tussen kin, borst en voorpoten geklemd en achterstevoren het hol in gesleept.
In een kamer kunnen, door het formaat, maar 2 hooguit 3 dassen slapen. In het voorjaar kan een kamer ook worden gebruikt als kraamkamer voor de zeug om de jongen te werpen en groot te brengen. De kraamkamer ligt bijna altijd dicht aan de oppervlakte vlakbij de uitgang van een hol.
Eén van de vrijwilligers bij een dassenhol tijdens een inventarisatie.
De stortberg voor dit hol is ca. 2 meter hoog, 3 meter breed en komt ca. 4,5 meter naar voren.
Het zand dat uit de burcht is gegraven vormt voor de holopeningen grote stortbergen. Deze stortbergen kunnen kolossale afmetingen hebben. Er zijn stortbergen gemeten met een inhoud van wel 35 kubieke meter! De holopeningen en stortbergen van een dassenburcht zijn trechtervormig en zo geplaatst dat ze de burcht optimaal ventileren. Geuren van de vijanden van de das (mens, hond, wolf, beer) worden zo diep in de burcht naar de dassen gevoerd. Ze weten zo al, terwijl ze zelf nog onder de grond zijn, of de kust veilig is.
Een dassenburcht bestaat meestal uit verschillende lagen (verdiepingen). Dit kan tot wel 4 meter diep zijn. Bij gevaar door bijvoorbeeld stropers die de burcht uitgraven, of een hondje dat in de burcht indringt, kunnen de dassen zich diep in de burcht terugtrekken zodat ze hun veilige hol niet hoeven te verlaten.
De das gaat rechtop staan als hij gaat krabben. Hierdoor kun je de krassen tot op 1 meter hoogte duidelijk zien.
Bij deze vlier is de stam er helemaal afgekrabd door de vele opeenvolgende generaties dassen van deze burcht.
Bovengronds heeft een dassenburcht ook nog twee bijzondere kenmerken. Zeer vaak is er een boom te vinden waar de dassen aan hebben gekrabd, een ‘krabboom’. Dit krabben doen ze ongeveer op dezelfde wijze als een kat. Een das kan alleen zijn lange nagels niet intrekken.
Als er jongen op de burcht zijn is er ook vaak een boom of stronk te vinden waar de dassen omheen hebben gerend, een 'speelboom'. Deze is duidelijk te herkennen omdat de bosbodem rond deze boom is ‘geveegd’ door dit speelse gedrag.
Speelbomen worden ook vaak als krabboom gebruikt door de jonge dasjes.
Grootte
De grootte van een hoofdburcht in Brabant varieert van 1 hol tot meer dan 120. In Uden is een dassenburcht van meer dan 100 holen evenals een burcht in Vierlingsbeek. Er is berekend dat hiervoor misschien wel 40 ton aan grond moet zijn verplaatst. De oppervlakte van zo'n burcht kan wel een hectare beslaan.
Dassen graven heel graag en zijn dan ook altijd bezig hun burcht te vergroten. Dit biedt een aantal voordelen: Er zijn meer openingen waardoor geurtjes naar binnen komen; Bij onraad kunnen ze over een groter oppervlak, ongezien, de burcht verlaten; Als de hoeveelheid ongedierte (vlooien,teken en mijten) hen teveel wordt, verkassen ze gewoon naar een ander deel van de burcht.
Er wonen niet alleen dassen op een dassenburcht.
Het biedt ook onderdak aan muizen, ratten, wezels, bunzingen, steenmarters, konijnen, wilde katten en vossen.
De grootte van een burcht wordt niet zozeer bepaald door het aantal dassen dat hierin woont, maar door de ouderdom, de graafbaarheid van de bodem en de ligging in het veld. Dassenburchten kunnen honderden jaren oud zijn. In rotsachtige bodem kan niet zo goed gegraven worden als in los zand en een burcht in een bosje kan groter worden dan een burcht onder een heg tussen akkers die elk jaar worden geploegd.
Het aantal holen van een burcht kan zeer snel stijgen zoals bij een burcht in Uden. Deze burcht werd in 1997 ontdekt en telde toen nog maar 3 holen. In 2004 telde deze burcht maar liefst 40 holen en gonsde van de activiteit.
Het aantal holen kan echter ook snel afnemen. Als er om wat voor redenen dan ook (verkeers-slachtoffers, huizenbouw, stroperij etc.) minder dassen op een burcht zitten kunnen ze onmogelijk alle holen openhouden. Deze raken na verloop van tijd zo vol met blad, takken en zand dat ze niet meer als hol te herkennen zijn. Er rest vaak slechts een enorme stortberg, een bult in het landschap, als teken van betere tijden. Zo was er in Vierlingsbeek een burcht van 80 holen in 1998 die door veel dassen bewoond werd. In 2003 telde deze nog slechts 22 holen en werd deze enkel bewoond door een paartje met 2 jongen.
Locatie
De locatie van de burcht word bepaald door de volgende factoren: voedselaanbod, beschutting, helling, rust, aanwezigheid van water en aanwezigheid van geschikt nestmateriaal.
De das is gemakzuchtig en zal het liefst zo dicht mogelijk bij zijn voedsel een burcht willen graven.
Beschutting is zeer voornaam. De dassen kunnen dan op de burcht hun vacht en sociale contacten verzorgen en de jongen kunnen dan spelen, zonder dat ze door hun vijanden worden opgemerkt. Er zijn echter burchten in Brabant die helemaal open en bloot liggen.
Hier moet de opmerking gemaakt worden dat bij een aantal hiervan de beschutting is verwijderd en de dassen noodgedwongen zijn blijven zitten. Er zijn ook burchten die in de winter onbeschut lijken maar in de zomerdag, door het hoge onkruid of varens, niet meer terug te vinden zijn.
Het liefst graaft een das zijn burcht in een helling. Hier loopt het water beter af en kan hij beter zien of er onraad is als hij het hol verlaat. Bij het graven raakt hij het zand sneller kwijt en de vorm van de stortberg werkt dan ook meer als een trechter die alle geurtjes tot diep in de burcht laat doordringen. Deze helling kan een heuveltje zijn maar ook een steilrandje en zelfs de kanten van een sloot.
Rust is zeer belangrijk. Dit wil echter niet zeggen dat dat ver van de mens verwijderd te vinden is. De verstoring door de mens is van belang! Zo verschenen er in Brabant burchten langs snelwegen, in verwaarloosde tuinen en zelfs één onder een oude caravan. Op deze plekken waren al jaren geen mensen meer geweest.
Deze burcht ligt langs een boerderij maar heeft verders een zeer geschikt territorium.
Doordat er nooit mensen en honden op deze burcht komen worden er zelfs jongen geboren.
De speelboom is een stille getuige.
Water is in Brabant overal wel te vinden, maar in droge zomers toch wel zeer voornaam voor de (opgroeiende) das.
Nestmateriaal is op de meeste burchten, door de beschutte ligging, wel te vinden in de vorm van gras, blad en varens. Als het echter flink gaat vriezen als bv. het onkruid nog groen is, krijgen dassen een probleem. Ze kunnen dan gaan verkassen naar een bijburcht waar wel nestmateriaal aanwezig is. In zo'n geval stellen ze een, vlakbij de burcht, verloren pak stro zeer op prijs.
Functie
Dassenburchten worden onderverdeeld in 4 categorieën. Hoofdburcht; wisselburcht; bijburcht en vluchtpijp. Deze kunnen binnen het territorium van een dassenfamilie aangetroffen worden.
Hoofdburchten zijn relatief groot en worden het merendeel van het jaar bewoond. Dit is ook meestal de plek waar de jongen worden geboren.
Wisselburchten worden minder intensief bewoond. Zodra de hoofdburcht, om welke reden dan ook, enige tijd onbewoond is, krijgt de wisselburcht de status van hoofdburcht.
Bijburchten hebben minder holen en worden belopen voor het gemak. Dit kan zijn als vluchtplek bij verstoring van de hoofdburcht; door jong volwassen dassen die worden verstoten uit het territorium of door het mannetje als hij in het voorjaar vanuit hier beter zijn territorium kan verdedigen. Als er jongen geboren zijn verjaagt dikwijls het vrouwtje het mannetje tijdelijk naar een ander gedeelte van de hoofdburcht of naar een bijburcht.
Ook het voedselaanbod in de directe omgeving speelt een grote rol. Dassen wonen het liefst zo dicht mogelijk bij hun voedsel en kunnen, tijdelijk, verhuizen naar een bijburcht bij bv. een maisakker als het mais rijp is.
Vluchtpijpen zijn enkele ondiepe holen die verspreid over het territorium liggen. Zoals de naam al doet vermoeden worden ze bij dreigend gevaar gebruikt om in te schuilen.
In een maďsakker vindt een das rust, beschutting en in de herfst ook voedsel.
Er wordt wel eens beweerd (voornamelijk in Groot-Brittannië) dat dassen hun dode soortgenoten in een kamer begraven. Dassen zijn erg propere dieren en ze zijn voor hun eigen veiligheid sterk afhankelijk van hun vermogen om onraad te kunnen ruiken. Daarom lijkt dit erg onwaarschijnlijk. Een logische verklaring voor de vele schedels die daar op de stortbergen worden gevonden is het feit dat de regering van Groot-Brittannië en de plaatselijke boeren jarenlang massaal dassen in hun burcht hebben vergast i.v.m. de bestrijding van rundertuberculose. Bij aanrijdingen door verkeer komt het vaak voor dat de sterke das de aanrijding overleeft. Deze probeert zich altijd in veiligheid te brengen en terug naar de burcht te slepen, waarna hij daar sterft. De volgende generatie dassen die daarna de burchten opschonen, werken dan de resten van hun soortgenoten naar buiten.
Leeftijd
Dassenburchten kunnen zeer oud zijn. Zo is er in Duitsland in de plaats Pisede, bij een zandafgra-ving, een oude dassenburcht zeer nauwkeurig onderzocht. Het bleek dat deze af en aan bewoond was sinds het einde van de IJstijden, zo’n 12.000 jaar geleden.
In Rusland is de leeftijd van een nog bestaande burcht, met behulp van moderne dateringstech-nieken, geschat op 8.000 jaar.
In Brabant liggen een aantal dassenburchten die enkele eeuwen oud zijn.
Terug naar boven